Hier zit ik dan, aan het Spaarne. Op mijn vaste bankje voor het Teylers Museum. De zon staat hoog aan een strakblauwe hemel. Dit is mijn lichtpuntje, maar dan miljarden keren krachtiger. Of misschien ook weer niet. Want wat is kracht eigenlijk?
Het water is rustig. Een meerkoet zwemt zijn rondjes, kleine rimpelingen trekkend in het oppervlak. Aan de andere kant dobberen de rondvaartboten, geduldig wachtend op nieuwe gasten. De ophaalbrug steekt mooi wit af tegen de lucht, de twee brugdelen scheef tegen elkaar aan tussen de oude huizen. Een prachtig plaatje. Een verbinding tussen twee zijden van de rivier.
Kijk ik de andere kant op, dan zie ik de groene draaibrug. Ook mooi, maar niet zo elegant als het wit aan de overkant. Een bootje met de Nederlandse vlag vaart voorbij. De waterspiegel wordt even gebroken; de schroef laat een spoor van bellen achter op het water.
Ik hoor de meeuwen roepen. De auto’s die achter mij voorbijgaan. Stemmen, voetstappen, en de zware deur van het museum die open en dicht gaat. In de verte staan de torens van de Amsterdamse Poort statig in de blauwe lucht. Getuigen van een rijk verleden.
Ik zit hier en geniet. De klokken van de kerk laten van zich horen; de klepels slaan ritmisch tegen het brons. Duiven lopen over de kade, altijd op zoek naar wat eten. Dan komt er een man aanlopen met een hond. Hij vraagt: “Is er hier nog plaats voor mij?” Ik zeg ja. Nu deel ik het bankje in de zon. Het is anders, maar het is ook goed.
Ik voel de zon op mijn voorhoofd. De warmte en de energie voeden mij. Ik zit hier aan de zonzijde, de drukke kant van de stad, en toch is het rein. Ondanks de stadse geluiden voel ik de rust. Je ziet de oudheid van de stad en je voelt de ziel die alles draagt. Dit is mijn plek. Voor nu is dit waar ik moet zijn, in deze mooie oude stad.
Zon hoog op de kade.
Het Spaarne stroomt door de stad.
Rust vindt nu haar plek.

Deze plek ken ik 🙂 Mooi geschreven! Alsof ik er weer even ben nu