Mijn wereld kent geen dimlicht. Alles staat altijd op vol vermogen. Prikkels komen binnen als een ongefilterde vloedgolf die tegen mijn fundament beukt. Wat een ander hoort, voel ik in mijn botten. Mijn brein is een antenne die elk signaal verpickt, versterkt en tot in de kern ontleedt. Er is geen veilige modus. Geen laag energieverbruik.
Mijn lichaam is een bevroren meer. Ik sta 24/7 in de freeze-stand. Het is een paradoxale gevangenis: doodstil vanbuiten, hoogspanning vanbinnen. De motor draait op volle toeren, maar de versnellingsbak zit muurvast. Dit is mijn noodrem. Een overgevoelige antenne die elk signaal vertaalt naar een dreiging. Ik zit opgesloten in een systeem dat altijd ‘aan’ staat, maar nergens naartoe kan.
Mijn verstand is mijn scherpste wapen en mijn zwaarste valstrik. Ik analyseer de vlammen terwijl ik er middenin sta weg te schroeien. De ratio begrijpt de route en de methode, maar de freeze spreekt geen taal. Het is een oeroude reflex in mijn hersenstam die niet luistert naar logica. Hoe harder ik denk, hoe vaster ik kom te zitten. Ik probeer een uitgang te beredeneren uit een probleem dat geen woorden kent.
Als ik de angst opzoek, haat ik half werk. Ik doe niet aan kleine stapjes. Dat voelt als stilstaan, als een belediging voor mijn intensiteit. Ik duik van de hoogste klip, recht de afgrond in. Ik zoek de rauwe zenuw op de bodem. Gooi me maar in de diepte van het onbekende. Ik móét de bodem voelen voordat ik me weer kan afzetten. Alleen daar, op het diepste punt, vindt mijn brein de houvast die het nodig heeft.
Voor de freeze heb ik nog geen oplossing gevonden. Het is een machteloos gevecht tegen een beschermer die is vergeten dat de oorlog voorbij is. Exposure is voor mij een frontale botsing met dit mechanisme. Elke seconde duurt een eeuwigheid omdat er te veel informatie tegelijk binnenkomt. Ik voel de muren trillen die ik om mezelf heen heb gebouwd. Ik breek ze liever in één keer met geweld af dan dat ik er jarenlang aan moet bikken.
Ik zwem altijd weer naar boven. Met brandende longen en een beukend hart breek ik door de korst van het ijs. Die strijd is rauw en ongepolijst. Ik ben een navigator in een storm die ik zelf ben. Ik ben het ijs, het water en de zwemmer. Ik zoek de grens op tot ik eroverheen val. Pas in de totale chaos van de vrije val, daar waar het denken stopt, laat de bevriezing soms heel even los.
Ik kijk het monster recht in de ogen. Niet uit gebrek aan vrees, maar uit een diep verlangen naar zuiverheid. Ik vecht me door het vuur om gesmeed te worden tot wie ik werkelijk ben. Ik breek mezelf open om eindelijk de stilte te kunnen horen. De witte, zuivere stilte achter de herrie. Rauw, oprecht en eindelijk vrij van de ijsklem.
Licht staat altijd aan
Vast in ijs, maar vrij in val
Rauwe, witte rust

Kippenvel! Zo mooi en rauw